Authentiek & Opportunistisch

Sinds ik deze zoektocht naar de zin en onzin van de persoonlijke identiteit begon vraag ik me steeds vaker af of wie ik ben wel zo interessant is. Waarom zou ik, om mezelf te kunnen zijn, moeten weten wie ik ben? Want als puntje bij paaltje komt zijn jij, wij en ik allemaal een goot adaptief systeem. We co-evolueren al door met iedereen en passen wat we vinden en wie we zijn continue aan op wat we doen en omgekeerd. Eigenlijk is onze persoonlijke identiteit behoorlijk opportunistisch en weinig authentiek. Maar wat is authentiek? Iets is authentiek als het echt en oorspronkelijk van jezelf is, en dat is onze persoonlijke identiteit in ieder geval niet. Want die wordt vooral bepaald door de tijdsgeest en de ogen van een ander. Wat we wel als oorspronkelijk en van onszelf kunnen beschouwen is ons prewired behavior. Maar dit prewired behavior –  onze persoonlijke neigingen en eigenschappen die we van onze ouders en voorouders hebben meegekregen –  ligt grotendeels opgeslagen in ons onderbewuste. Volgens de laatste inzichten hebben we wel een flink aantal praktische identiteiten. Maar deze praktische identiteiten hangen samen met de rollen die we vervullen. En daar hebben we er niet een van maar een heleboel.

Misschien heeft mezelf zijn helemaal niets te maken met wie ik ben. Is mijn persoonlijke identiteit net als dat ideaalbeeld een verzinsel waarmee ik mezelf en de ander probeer te begrijpen. Maar verzinsels kloppen zelden. Eerlijk gezegd heb ik geen idee wie ik ben. En zegt het verhaal waarmee ik mezelf omschrijf wel iets maar lang niet alles. Natuurlijk heb ik denkbeelden, overtuigingen en intenties maar die zijn echt niet in beton gegoten. En mijn wensen, dromen en verlangens verschillen per dag en kunnen behoorlijk tegenstrijdig zijn. Eerlijk gezegd heb ik mijn handen al vol aan het mens zijn op zich. En is hoe ik wil zijn gewoon een kwestie van kiezen, elke dag weer. Maar als mijn persoonlijke identiteit slechts een verhaal is, waartoe dient hij dan?

Wie weet zijn we net een soort kameleon. En nemen we gewoon de kleur aan van onze omgeving of juist niet. Misschien is wat wij onze identiteit noemen een oeroud onderdeel van ons pre-wired behavior. Neem ik een kleur aan die past, niet omdat het mijn kleur is of dat die kleur iets zegt over wie ik ben maar gewoon omdat het de kans op overleven vergroot. Wie weet is onze flexibele identiteit een prachtig door de natuur gegeven instrument waar we ons – al naar gelang de context – in kunnen verschuilen of juist mee profileren. En ben ik net als elk zoogdier slechts op zoek naar een veilige plek met voldoende eten en een flinke dosis liefde en geborgenheid. En verdwijnt mijn identiteit op een heel veilig plekje als sneeuw voor de zon. Want misschien biedt een identiteit in onzekere tijden een soort houvast maar heeft het met jezelf zijn helemaal niets te maken. Sterker zodra ik mezelf kan zijn, ben ik me van geen identiteit meer bewust.

Blinde vlek & Dode hoek

 

Dit veld- en zelfonderzoek naar de zin en onzin van de persoonlijke identiteit begon met de vraag of ik mezelf ook kan vinden? Om te weten waar ik mezelf zou kunnen vinden ben ik eerst gaan kijken wat de identiteit eigenlijk is. Volgens de filosofie is mijn identiteit een verzameling ervaringen, overtuigingen, gebeurtenissen, denkbeelden en verlangens en ben ik zolang ik leef ‘in-wording’. Wat op zich wel een vrolijk gegeven is. Want ik ben dus niet af en kan dus eigenlijk nog van alles zijn.

Maar vanuit biologisch perspectief ben ik ook wel in-wording maar co-evolueer ik aldoor met alles en iedereen om me heen en ben ik dus geen blanco blaadje. Ook de eigenschappen, kennis, ervaringen en verlangens van mijn voorouders ligt als – pre-wired gedrag- opgeslagen in mijn onderbewuste. Het zijn mijn kenmerken die mijn identiteit bepalen en in de biologie heet dat gewoon mijn persoonlijkheid.

Maar de meeste kenmerken die ken ik dus helemaal niet. Want al dat pre-wired gedrag komt pas naar boven als er een beroep op wordt gedaan. Dus wat mezelf betreft heb ik een flinke dode hoek en een behoorlijk blinde vlek.

Dat erop uittrekken om jezelf te vinden is nog niet zo’n gek idee. Niet dat ik mezelf opeens plotseling tegenkom maar ik kan wel meer kernmerken van mezelf leren kennen dan die ik nu weet. Want wat blijkt: onbekende plekken, onverwachtse gebeurtenissen en vreemde ogen zijn prima spiegels om je blinde vlek te omzeilen en je dode hoek te ontlopen.

Ik begrijp opeens waar de Red Hot Chilli Peppers over zingen en wat Aboriginals bedoelen met die Walkabout. Want om jezelf beter te leren kennen en te weten welk leven jou past kun je wellicht beter on a walkabout – of nou ja noem het een soort van sabbatical – dan dat je jezelf met een boel wilskracht en discipline in jouw meest gewenste of jouw meest bekende vormpje blijft wringen. Misschien kan die walkabout wel opgenomen in het persoonlijk loopbaanbudget en kunnen we van de WW of de bijstand beter een soort sabbatical maken. Want erop uittrekken vergroot wellicht niet direct het bruto nationaal product maar het scheelt vast een boel frustratie en stress. Want van jezelf of een ander in het meest gewenste vormpje wringen wordt volgens mij geen mens wijzer en helemaal niemand gelukkig.

Alledaagse co-evolutie

Via deze berichten houd ik jullie op de hoogte van het verloop van het veld en zelfonderzoek naar de zin en onzin van de identiteit. Vanuit biologisch perspectief zijn mensen sociale zoogdieren die elkaar voortdurend beïnvloeden. Deze aflevering gaat over co-evolueren in de dagelijkse praktijk.

Nu ik weet dat ik als een sociaal zoogdier continue co-evolueer met alles en iedereen om mij heen en wat ik doe grotendeels wordt bepaald door mijn omgeving, ben ik toch benieuwd naar hoe dat gaat, dat co-evolueren in de praktijk. Want dat mijn ideaalbeeld niet bestaat vind ik prima en eigenlijk best geruststellend. Dat wellicht hemelse maar onbereikbare ideaal heb ik met liefde losgelaten. En dat mijn identiteit niet zo vastomlijnd is als ik dacht, vind ik ook geen ramp. Maar de vraag hoe ik co-evoluerend zelf kan bepalen wat ik doe en hoe ik wil zijn, laat me niet los. Op de een of andere manier vind ik de gedachte dat wat ik doe grotendeels door een ander wordt bepaald een stuk minder geruststellend. Misschien zelfs wel verontrustend. Eerst maar eens kijken hoe dat gaat. Op zoek naar antwoorden duik ik in de praktijk van alle dag.

Samen met manlief, Poes en hond Mo vorm ik tenslotte een kleine gemeenschap van sociale zoogdieren. Zo op het eerste gezegd lijken manlief, Poes, Mo en ik een aardig om elkaar ingespeeld geheel. Ieder gaat zo zijn eigen weg, zonder al te veel gedoe. En als ik goed kijk zie ik inderdaad allerlei onbewust op elkaar afgestemd gedrag. Als Poes naar binnen wil, gaat Mo blaffen en sta ik op. Als het heeft geregend staat Poes op de eerste trede van de trap en likt Mo haar vacht droog. Eenmaal droog vervolgt ze haar eigen weg. So far, so good.

De vraag wie er op de bank ligt verloopt een stuk minder geruisloos. De bank is in principe van manlief en mij. Wij hebben dat ding tenslotte gekocht toch? Maar in de praktijk is de bank vooral van Mo. Mo is overdag het meest thuis en ligt dan op de bank. Manlief of ik mogen daar soms bij, maar Poes niet. Alleen als ik op de bank zit, Mo overtuigend naar de uiterste hoek van de bank verban en Poes liefjes roep, komt Poes even op schoot. Maar nooit voor lang. Mo hoeft maar met een wenkbrauw te trekken en ze springt al weer weg. Zelfs manlief en ik hebben moeite onze plek te behouden. Ik hoef maar met een teen te bewegen of Mo per ongeluk aan te raken of ze springt saggerijnig van de bank, draait zich om en gaat verlangend voor mij staan. En voor ik het door heb trek ik mijn benen op en springt Mo weer op de bank. Soms vinden manlief en ik het mooi geweest. Dan proberen we op te treden en wordt Mo gedecideerd van de bank verjaagd. Even kruipt ze in haar eigen mand, maar binnen vijf minuten staat ze weer voor je en voor je het weet heeft ze stiekem weer een hoekje gevonden en rolt ze zich stilletjes op.

Ongemerkt is de bank die in principe van manlief en mij is van Mo geworden. Goed beschouwd zijn niet wij, maar is Mo de baas van bank. En zijn het inderdaad niet de bewust genomen besluiten maar de kleine alledaagse gewoonten die stilletjes bepalen wie waar zit. En pogingen gewoonten te veranderen door de formele hiërarchie te herstellen houden wel heel even maar nooit lang stand. Poes en Mo trekken zich van de formele gezagsverhoudingen niet veel aan en lopen al co-evoluerend mijlen op ons voor. Want Mo lijkt heel lief en onderdanig maar gedraagt zich eigenlijk heel dwingend en behoorlijk dominant. Terwijl manlief en ik redelijk stoer en standvastig lijken maar we blijken in de dagelijkse praktijk knap volgzaam en behoorlijk onderdanig. Als ik al co-evoluerend mijn weg moet zien te vinden, heb ik nog een boel leren. En lopen Poes en Mo mijlenver op mij voor.

Instinct of intuïtie

Voor het Veld- & Zelfonderzoek naar de zin en onzin van de persoonlijke identiteit dwaal ik de laatste dagen met veel plezier door de gedachten van Paul Verhaeghe. Verhaeghe schrijft een drieluik over de mens in relatie tot de ander. In het eerste deel over identiteit schrijft hij een interessant verhaal over gewoontegedrag. Dit pre-wired behavior of te wel dat deel van ons denken en doen dat we nog altijd niet snappen of te wel het onderbewustzijn.

Volgens de biologie – zo schrijft Verhaeghe – zit in ons onderbewustzijn een enorme hoeveelheid pre-wired gedrag. Want ook het gedrag en onze kenmerken dat we door de evolutie al heel lang niet meer gebruiken ligt nog altijd in ons menselijk wezen ingebakken. Een heleboel van dit pre-wired gedag komt nooit aan het licht omdat er niets is dat dit gedrag wakker schudt. We weten van heel veel vaardigheden het bestaan niet af. Tot we in nood zijn, in ingeving krijgen of opeens ‘out of the blue’ weten wat ons te doen staat. Dan noemen we dat intuïtie. Ondertussen vraag ik me af of dat wat wij intuïtie noemen en waar we zo graag het contact mee willen versterken, niet gewoon ons oeroude menselijk instinct is.

Misschien hebben we – uit naam van de beschaving of religie-  ons eigen wijze menseninstinct iets te grondig onderdrukt en te ver weg gestopt. Zijn we in plaats van te vertrouwen op ons eigen instinct gaan zoeken naar zoiets als een hoger bewustzijn. En klampen we ons iets te fanatiek vast aan een hemels ideaal of heldere logica van de wetenschap. En theorieën en idealen klinken natuurlijk prachtig maar kloppen zelden of vragen zo’n grote mate van zelfdiscipline dat leven een soort topsport wordt. En waarom eigenlijk? Waarom zijn we ons eigen instinct gaan wantrouwen. Wat is er mis met een flinke dosis boerenverstand en menselijk instinct?

Misschien zijn we door onze instincten te associëren met iets dierlijks en door gruwelijk gedag beestachtig te noemen een beetje van ons pad afgeraakt. Ik pleit hier niet voor het domweg volgen van de onderbuik, want met een beetje afstand de boel zo nu en dan eens overzien is natuurlijk best prachtig. Maar een oeroud compleet natuurlijk regelsysteem volledig aan de kant schuiven was misschien toch niet zo slim.

Wie weet is wat we – heel netjes en beschaafd – onze intuïtie noemen gewoon ons eigen menseninstinct. En zijn we door ons eigen instinct te diskwalificeren en op zoek te gaan naar een hoger bewustzijn de meest voor de hand liggende, dichtstbijzijnde en meest toegankelijke bron van kennis – het oeroude mensen instinct – uit het oog verloren.

Want het inzicht uit podcast 2 dat ik ooit op een compleet verkeerde plek was beland en heel zeker wist dat ik als een speer op zoek moest naar de nooduitgang kwam inderdaad knap onverwachts en was weinig doordacht. Nu ik er goed over denk heb ik wel vaker van die onverwachte besluiten genomen. Meestal dankte ik het engeltje op mijn schouder of – iets platter gezegd – mijn shitdetector of innerlijke Tom Tom die mij behoedde, waarschuwde en de nooduitgang wees. Misschien is wat ik mijn intuïtie noem inderdaad het oeroude zoogdierinstinct van mijn eigen soort, de mens.

Misschien moet ik mijn instinct in plaats van netjes verpakken of flink onderdrukken wel meer gaan oefenen en beter leren gebruiken. Want wat is er mis met pre-wired behavior en een oeroud instinct? Ik kijk tenslotte ook vol bewondering hoe de gierzwaluwen elk jaar weer en als vanzelf op 29 april terug keren naar Oud-Sabbinge. Wie weet zit er in de mens, als soort, wel meer eigenschappen en kenmerken dan we durven dromen. En kunnen we niet alleen van de zwaluwen maar ook van onze eigen medemens nog heel wat leren.